Verhoudingen

2s - 3 oefeningen

VerhoudingTweeGroepen
003l - Verhoudingen - gevorderd - basis - 1ms
Getal & Ruimte (12e editie) - havo wiskunde A - 1.1 Getal & Ruimte (13e editie) - havo wiskunde A - 1.1 Getal & Ruimte (13e editie) - vwo wiskunde A - 3.1 Getal & Ruimte (13e editie) - vwo wiskunde A - 3.1

In een bibliotheek zijn er \(3\) romans per \(8\) naslagwerken. Er zijn in totaal \(154\) boeken.

3p

Hoeveel romans zijn er in totaal?

In totaal zijn er \(3 + 8 = 11\) delen, dus
\(11 \text{ delen} = 154 \text{ } \text{boeken} \text{.}\)

1p

Dus \(1 \text{ deel} = {154 \over 11} = 14 \text{ } \text{boeken} \text{.}\)

1p

Er zijn \(3\) delen roman, dus in totaal zijn er
\(3 ⋅ 14 = 42\) romans.

1p

VerhoudingDrieGroepen
003m - Verhoudingen - gevorderd - midden - 4ms
Getal & Ruimte (12e editie) - havo wiskunde A - 1.1 Getal & Ruimte (13e editie) - havo wiskunde A - 1.1 Getal & Ruimte (13e editie) - vwo wiskunde A - 3.1 Getal & Ruimte (13e editie) - vwo wiskunde A - 3.1

De verhouding tussen beelden, tekeningen en schilderijen in een museum is gelijk aan \(5 : 11 : 7 \text{.}\) Er zijn in totaal \(56\) schilderijen.

3p

Hoeveel beelden zijn er minder dan tekeningen?

Er zijn \(7\) delen schilderij, dus
\(7 \text{ delen} = 56 \text{ } \text{schilderijen} \text{.}\)

1p

Dus \(1 \text{ deel} = {56 \over 7} = 8 \text{ } \text{kunstwerken} \text{.}\)

1p

Het verschil tussen beelden en tekeningen is \((11 - 5) = 6\) delen, dus er zijn
\(6 ⋅ 8 = 48\) minder beelden dan tekeningen.

1p

VerhoudingTweeKeerTweeGroepen
003n - Verhoudingen - gevorderd - eind - 2ms
Getal & Ruimte (12e editie) - havo wiskunde A - 1.1 Getal & Ruimte (13e editie) - havo wiskunde A - 1.1 Getal & Ruimte (13e editie) - vwo wiskunde A - 3.1 Getal & Ruimte (13e editie) - vwo wiskunde A - 3.1

De verhouding tussen senioren en kinderen op een sportclub is gelijk aan \(5 : 2\) en de verhouding tussen volwassenen en senioren is \(11 : 3 \text{.}\) Er zijn \(54\) minder kinderen dan senioren.

4p

Hoeveel leden zijn er in totaal?

senioren

\(5\)

\(3\)

\(15\)

kinderen

\(2\)

\(6\)

volwassenen

\(11\)

\(55\)

1p

Het verschil tussen kinderen en senioren is \((15 - 6) = 9\) delen, dus
\(9 \text{ delen} = 54 \text{ } \text{leden} \text{.}\)

1p

Dus \(1 \text{ deel} = {54 \over 9} = 6 \text{ } \text{leden} \text{.}\)

1p

Er zijn \(6 + 15 + 55 = 76\) delen, dus in totaal zijn er
\(76 ⋅ 6 = 456\) leden.

1p

003l 003m 003n